Skip naar content

‘Voor de vitaliteit van onderwijs én Europa blijft Erasmus+ relevant’

Kees Zwaga en Henk Oonk

Kees Zwaga en Henk Oonk

'Buitenlandervaring zorgt voor relativering van je eigen positie en van je eigen land. Tegelijkertijd geeft het nieuwe energie.'

Faces of Erasmus+ | Kees Zwaga en Henk Oonk

Dit jaar bestaat Erasmus+ 35 jaar. We staan daar graag bij stil met een serie portretten van personen die op de een of andere manier betrokken zijn bij ons programma. Wat zijn hun ervaringen? Wat heeft het gebracht? Op welke manier heeft Erasmus+ bijgedragen? En waar hoop je over 35 jaar te zijn? We vragen het voormalig leraren Kees Zwaga en Henk Oonk vanuit hun ruime ervaring met internationalisering.

Zo is Kees voormalig leraar Teacher Training College Zambia en voorheen adjunct-directeur Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs (nu onderdeel van Nuffic), en nu publicist. Henk is voormalig leraar en directeur van het Europees Platform voor het Nederlandse onderwijs (nu onderdeel van Nuffic), voorheen parttime onderzoeker aan de RuG en de Leibniz Universität Hannover, en nu voorzitter Neios.

 

Hoe is internationalisering bij jullie begonnen?

Kees: Toen ik begon, was er nog geen Erasmus+. Alles begon voor mij in 1973 na een Afrikaans avontuur bij Centrum voor Europese Vorming in het Onderwijs, CEVNO. Door drie jaar lesgeven in Zambia kreeg ik een scherper oog voor Europa. Europese samenwerking was belangrijk genoeg om aandacht te krijgen in het onderwijs. Dat vonden de onderwijsvakbonden ook en zij legden de grondslag voor CEVNO.

Het was allemaal pionierswerk, want niemand had zo’n onbekend element in het onderwijs eerder uitgevonden. Henk en ik begonnen het Europese wiel voor het onderwijs in elkaar te zetten. Dat deden we door scholen voorlichting te bieden en onderwijsmateriaal te ontwikkelen. Na een aantal jaar ontstond er een echte educatieve uitgeverij. Het glossy materiaal dat we later maakten, was in het begin eenvoudig drukwerk. We waren actief op diverse onderdelen van internationalisering en na twintig jaar was een omvangrijk fonds van producten ontstaan.

 

Gingen jullie ook naar het buitenland?

Kees: Uitwisselingen kwamen pas op gang na 1988. In dat jaar organiseerden we in Maastricht een Europese conferentie, met steun van het Ministerie voor Onderwijs en de Europese Commissie. Die bijeenkomst legde het fundament voor een bredere Europese samenwerking. In het Verdrag van Maastricht kwam een kleine paragraaf, die scholen een opening bood naar beleid en activiteiten.

Het eerste grote onderwijsprogramma was Lingua. Erasmus was in 1987 van start gegaan en scholen toonden interesse. Margaret Thatcher liet zich overtuigen met het argument dat talen essentieel waren voor beroepsopleidingen. Daar hoorden uitwisselingen tussen scholen voor docenten en leerlingen bij. Het begrip beroepsonderwijs werd daarbij breed geïnterpreteerd. Taal was geen doel maar een middel om kennis van de diverse vakgebieden te delen. Zo konden ook docenten geschiedenis, wiskunde en aardrijkskunde meedoen aan de Europese uitwisselingen.

Het onderwijs heeft daarna kleurrijke ontwikkelingen meegemaakt op dit terrein, teveel om hier allemaal te benoemen. Een aantal mensen leverde wel een essentiële bijdrage aan de indrukwekkende deelname van scholen bij de diverse programma’s. In Nederland was dat Frans Lander van OCW en in Brussel waren dat Dominico Lenarduzzi en David Coyne. Sommigen herinneren zich vast begrippen als Lingua, Comenius en Grundtvig. Later werden de afzonderlijke onderdelen samengebracht in het programma Socrates. En nog weer later - na mijn pensioen in 2007 - vond dat onderdak in Erasmus+.

 

Wat is de + van een programma als Erasmus+?

Kees: Ik ken Erasmus+ alleen van horen-zeggen, maar ik denk dat het in essentie aan hetzelfde werkt als wij destijds: onderwijsmensen in de keuken laten kijken van het onderwijs in andere landen en ze betrekken bij het samenstellen van geheel nieuwe gerechten. Buitenlandervaring zorgt voor relativering van je eigen positie en van je eigen land. Tegelijkertijd geeft het nieuwe energie. In de allereerste jaren van docentenuitwisseling vertelden directeuren en rectoren me af en toe welke positieve ervaringen hun docenten hadden tijdens de uitwisselingen. ‘Ze kwamen als herboren terug’, is een opmerking die me is bijgebleven. Voor de vitaliteit van het onderwijs en van Europa blijft Erasmus+ naar mijn mening relevant in de komende jaren.

 

Hoe gaat het zijn over 35 jaar?

Henk: Dit is een onmogelijke vraag, want wie kan er zo ver vooruitkijken? De geschiedenis leert dat dergelijke voorspellingen niet mogelijk zijn. Vele politici en experts hielden zich tijdens de Koude Oorlog bezig met de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie en toch waren we totaal onvoorbereid op de ineenstorting. De val van de Muur kwam als een totale verrassing. Hetzelfde geldt voor de oorlog in Oekraïne. Niemand had gedacht en waarschijnlijk ook gehoopt dat Russische leiders bereid zouden zijn een meedogenloze oorlog tegen een buurland te voeren. Toch is het gebeurd.

Als onderwijsprogramma van de Europese Unie heeft Erasmus+ vooralsnog minder last van de geopolitieke spanningen tussen de verschillende grootmachten. Wel kunnen spanningen binnen de EU leiden tot aanpassingen van het programma. Tot op heden is daar echter geen sprake van.

 

Wat zou je graag terug willen zien in het programma van Erasmus+?

Henk: Ik zou willen dat Erasmus+ meer aandacht besteedt aan de ontwikkelingen in de EU zelf. Dit is nog belangrijker geworden door de geopolitieke storm waarin we ons bevinden. De oorlog heeft allereerst verschrikkelijke gevolgen voor Oekraïne zelf - daarbij vergeleken vallen de gevolgen voor de EU in het niet – maar toch worstelen Europeanen ook met torenhoge energieprijzen en raken miljoenen burgers in financiële problemen. We moeten ook voorzieningen treffen voor de miljoenen Oekraïners die naar EU-landen zijn gevlucht.

Als EU staan we voor grote uitdagingen. Alles bij elkaar is dit een uitgelezen moment om in het onderwijs meer aandacht te besteden aan de betekenis van de EU en de rol in de huidige tijd. Je moet er niet aan denken dat we later vaststellen dat hier in het onderwijs geen woord over terug te vinden is.

In het basisonderwijs kan het op eenvoudige wijze binnen burgerschapsvorming en de Europese aspecten in die lessen. In het voortgezet onderwijs zijn vakken als aardrijkskunde, geschiedenis, economie en maatschappijleer heel geschikt om Europese thema’s te behandelen. Samenwerking met landen binnen Erasmus+ heeft bij deze thema’s natuurlijk enorm veel meerwaarde omdat er vaak sprake is van verschillende perspectieven op de Europese samenwerking. Mijn advies: maak als school gebruik van de netwerken die er zijn.

Het was allemaal pionierswerk, want niemand had zo’n onbekend element in het onderwijs eerder uitgevonden. Kees Zwaga