Taal voor het leven pakt laaggeletterdheid structureel aan

Naar een structurele aanpak van laaggeletterdheid

Volwasseneneducatie

Met het Taal voor het Leven-programma van Stichting Lezen & Schrijven pakken gemeenten en organisaties laaggeletterdheid aan. West-Brabant loopt hierin voorop en zocht in 2016 inspiratie in het buitenland met subsidie van Erasmus+. “We leerden over een robuuste, blijvende aanpak.”

Een op de negen Nederlanders tussen de 16 en 65 jaar heeft moeite met lezen en schrijven. Zij kunnen hierdoor niet goed meekomen in de maatschappij. In West-Brabant hebben twintig organisaties, waaronder bibliotheken, scholen, woningbouwverenigingen, vrijwilligersorganisaties en taalaanbieders, de handen ineengeslagen om analfabetisme tegen te gaan. Om hun beleid nog effectiever te maken, bezochten vertegenwoordigers van het programma Taal voor het Leven in West-Brabant drie Europese landen. 

Taalhuizen en taalpunten

Het ondersteuningsprogramma Taal voor het Leven boekt juist in West-Brabant succes door het inzetten van zogeheten taalhuizen en taalpunten: plekken waar iedereen aan de slag kan met zijn of haar basisvaardigheden. Deelnemers volgen bijvoorbeeld cursussen, spelen taalspelletjes of oefenen op de computer. De cursisten zijn van diverse afkomst. Vluchtelingen, andere migranten en autochtone Nederlanders. Allemaal hebben ze één ding gemeen: door hun taalachterstand kunnen ze moeilijk functioneren in onze steeds complexere samenleving. Daarnaast is het een plek voor (taal)vrijwilligers. Zij kunnen er terecht voor onderwijskundig advies of geschikt lesmateriaal.

Blijvend en robuust

Taal voor het Leven West-Brabant loopt in Nederland voorop wat betreft taalhuizen en taalpunten. “Vandaar dat we wilden onderzoeken hoe ze in het buitenland omgaan met laaggeletterdheid”, vertelt beleidsmedewerker Lianne Knobel van de Bredase Stichting Nieuwe Veste. “We wilden leren van hun best practices én van hun tegenslagen.” Adviseur Sheila Schuijffel van Cubiss vult aan: “Maar wat we vooral wilden ontdekken, is hoe we onze aanpak structureel konden maken. Het moest iets blijvends en robuust worden, niet afhankelijk van tijdelijke programma’s en financiering.”

Studiereizen

Onder de noemer ‘Extending the Literacy Houses approach’ reisden vertegenwoordigers van het lesprogramma in West-Brabant naar Ierland, Spanje en Noorwegen. Tijdens de reis naar Ierland leerden ze om beleidsontwikkeling op het gebied van taalonderwijs te beïnvloeden en om structureel financiële middelen te verwerven. In Spanje draaide het vooral om de wisselwerking tussen formeel (door scholen en taalaanbieders) en informeel (met vrijwilligersactiviteiten) onderwijs. Bij het bezoek aan Noorwegen stond de aanpak rondom vluchtelingen, taal en maatschappelijke deelname centraal.

Sociale inclusie

Knobel en Schuijffel kijken tevreden terug op de bezoeken aan het buitenland. “In Ierland viel op dat de lijnen erg kort waren”, observeert Knobel. “We leerden dat we de lokale politiek meer moeten betrekken bij onze activiteiten. Als zij het belang en effect van ons werk zien, doen ze eerder een financiële bijdrage. Gelukkig hadden we de lokale politiek al betrokken: een gemeentemedewerker ging mee op studiereis.” 

Een andere les deden ze op in Noorwegen. “Hier zijn de middelen gering en werkt men veel met vrijwilligers. Toch bereiken ze goede resultaten bij vluchtelingen. Ze werken in kleine groepjes, en hebben een inventieve manier om het taalniveau van de deelnemers in te schatten. En ze praten niet over integratie, maar over sociale inclusie. Het gaat niet om mensen veranderen, maar om meedoen aan de maatschappij. Een inspirerende benadering, waar wij zeker dingen van meenemen”, aldus Schuijffel. 

Structureel maken

“Wat we ook hebben geleerd”, vervolgt Knobel, “is dat we in Nederland vaak erg breed kijken naar laaggeletterdheid. Er zijn veel doelgroepen, die we allemaal met één aanpak proberen te helpen. Door voor doelgroepen specifiek aanbod te ontwikkelen en te werken met kleine groepen, kunnen we eerder resultaat boeken. Naar Noors voorbeeld dus.” Maar zeker zo belangrijk, meent Schuijffel, is dat de deelnemers elkaar beter hebben leren kennen. “Dit draagt enorm bij aan het structureler maken van onze aanpak.”

Leren van elkaar

De buitenlandse partners leerden op hun beurt van de aanpak in West-Brabant. “Noorwegen legt de focus sterk op migranten”, schetst Schuijffel. “Taalproblemen bij de autochtone bevolking krijgen minder aandacht. Daar kijken ze in Bergen, waar we op bezoek waren, nu meer naar.” En in Ierland gaan ze het Nederlandse voorbeeld volgen om bibliotheken een grote rol te laten spelen om laaggeletterden te bereiken. Knobel: “Bibliotheken bieden een laagdrempelige plek. Dat had men in Ierland niet zo in beeld.”

Goed nadenken over doelstellingen

Een goede voorbereiding is het halve werk. Dat is het belangrijkste advies van Knobel en Schuijffel.
“Het gaat niet om het maken van leuke reisjes naar het buitenland. Je moet goed nadenken over wat je wilt bereiken en hoe je dat gaat inbedden in je dagelijks werk. Anders is zo’n reis zonde van de tijd en van het geld”, stelt Knobel. “Als je subsidie aanvraagt bij Erasmus+, moet je een formulier van dertig pagina’s invullen”, vult Schuijffel aan. “Dat klinkt als een hoop gedoe, maar werkt juist positief. Zo wordt je gedwongen om echt na te denken over je doelstellingen. Zonder een degelijke motivatie wordt je aanvraag sowieso niet goedgekeurd.”

Meer weten? Neem gerust contact met ons op.