Extending the Literacy Houses approach

Naar een structurele aanpak van laaggeletterdheid.
Liefst één op de negen mensen tussen de 16 en 65 jaar in Nederland heeft grote moeite met lezen en schrijven. Dit heeft ingrijpende gevolgen voor hun functioneren in de maatschappij. Met de Taal voor het Leven-aanpak probeert Stichting Lezen & Schrijven iets te doen aan dit probleem. Taal voor het Leven West-Brabant, een voorloper op dit gebied, zocht met ondersteuning van Erasmus+ inspiratie in het buitenland.

Binnen Taal voor het Leven West-Brabant hebben bibliotheken, scholenorganisaties, woningbouwverenigingen, vrijwilligersorganisaties, taalaanbieders, GGD’en en vele andere organisaties de handen ineengeslagen om laaggeletterdheid aan te pakken. De partners maken daarbij gebruik van Taalhuizen en Taalpunten. Die zijn te vinden in bibliotheken, buurthuizen en op andere locaties. Een Taalhuis is dé plek waar iedereen terecht kan die aan de slag wil met zijn of haar basisvaardigheden. Je kunt er informatie krijgen over een passende cursus in de buurt en er zijn vaak computers om op te oefenen. Het Taalhuis is er ook voor (taal)vrijwilligers. Zij kunnen er bijvoorbeeld terecht voor onderwijskundig advies of voor geschikt lesmateriaal voor hun cursisten. Die cursisten zijn een gemêleerd gezelschap: er vallen vluchtelingen en andere migranten onder, maar ook veel autochtone Nederlanders. Ze hebben gemeen dat ze door hun taalachterstand moeilijk kunnen functioneren in een steeds ingewikkelder wordende samenleving.

 

Robuust

Taal voor het Leven West-Brabant loopt in Nederland voorop wat de Taalhuizen en Taalpunten betreft. “Vandaar dat we graag in het buitenland wilden kijken hoe zij omgaan met laaggeletterdheid”, vertelt beleidsmedewerker Lianne Knobel van de Bredase Stichting Nieuwe Veste. “We wilden leren van hun best practices én van de moeilijkheden waar zij tegenaan lopen.” “We wilden vooral ook leren hoe we onze aanpak structureel kunnen maken, hoe we deze kunnen borgen in de samenleving”, geeft adviseur Sheila Schuijffel van Cubiss aan. “Het moet iets blijvends en robuust worden en niet afhankelijk zijn van tijdelijke programma’s en financiering.”

Vertegenwoordigers van Taal voor het Leven West-Brabant maakten met ondersteuning van Erasmus+ drie studiereizen in 2017. Dit gebeurde onder de noemer Extending the Literacy Houses approach. Ze bezochten Ierland, Spanje en Noorwegen. In Ierland wilden de deelnemers leren hoe ze de beleidsontwikkeling op het gebied van taalonderwijs kunnen beïnvloeden en hoe ze meer structureel financiële middelen kunnen verwerven. In Ierland is het volwassenenonderwijs centraal georganiseerd en wordt het voor een groot deel gefinancierd uit publieke middelen. In Spanje was de bijzondere wisselwerking tussen formeel (door scholen en taalaanbieders) en informeel onderwijs (door activiteiten van vrijwilligers) het voornaamste onderwerp. Bij de reis naar Noorwegen stond de aanpak rondom vluchtelingen, taal en deelname aan de maatschappij centraal.

 

Sociale inclusie

Knobel en Schuijffel kijken tevreden terug op de buitenlandse bezoeken. “In Ierland viel op dat de lijnen erg kort waren”, observeert Knobel. “We nemen hieruit mee dat ook wij de lokale politiek en ambtenaren meer moeten betrekken bij onze activiteiten. Als zij het belang en effect van onze activiteiten zien, zullen zij hier ook eerder een financiële bijdrage aan willen leveren. Met dit betrekken hebben we bij de studiereis al een begin mee gemaakt. Er is toen ook een gemeentemedewerker mee geweest. In Noorwegen zijn de middelen gering en werkt men veel met vrijwilligers. Toch bereiken ze goede resultaten bij vluchtelingen. Het werken met kleine groepjes en een inventieve methode om het taalniveau van deelnemers in te schatten, zijn hierbij belangrijk. Daar willen wij zeker dingen van overnemen.” “In Noorwegen praten ze niet over integratie, maar over sociale inclusie. Zij willen mensen niet veranderen, maar vooral laten meedoen aan de maatschappij. Er is naast taalonderwijs dan ook veel aandacht voor hoe de Noorse maatschappij werkt. De Noren doen dat trouwens niet uit filantropische overwegingen. Als mensen meer deelnemen aan de maatschappij en werk krijgen, kunnen ze ook belasting betalen. Het is een inspirerende benadering”, aldus Schuijffel.

Een andere les die Knobel heeft geleerd is dat in Nederland vaak erg breed wordt gekeken naar het onderwerp laaggeletterdheid. “Er zijn veel verschillende doelgroepen, die we allemaal met één aanpak proberen te helpen. Door meer aanbod te ontwikkelen voor specifieke doelgroepen en naar Noors voorbeeld met een kleinere groep van partners te werken met kleinere groepen, kunnen we eerder resultaat boeken.” “Maar zeker zo belangrijk is dat de deelnemers aan de reizen elkaar beter hebben leren kennen”, meent Schuijffel. “Ook dit draagt zeker bij aan het structureler maken van onze aanpak.”

Congres

De buitenlandse partners leerden op hun beurt ook van de aanpak in West-Brabant. “In Noorwegen ligt de focus sterk op migranten”, schetst Schuijffel. “Taalproblemen bij de autochtone bevolking krijgen minder aandacht. Daar willen ze in Bergen, waar we op bezoek waren, nu ook meer naar gaan kijken.” “Bij ons spelen de bibliotheken een grote rol”, weet Knobel. “Ze bieden een laagdrempelige plek om de doelgroep te bereiken. Dat had men in Ierland niet zo in beeld. In de toekomst willen zij de bibliotheken meer gaan inzetten.”

Het project wordt afgesloten met een congres op woensdag 6 september. Daar zullen de partners binnen het project uit de doeken doen wat ze hebben geleerd en wat de vervolgstappen in de toekomst zullen zijn. Naast de samenwerkingspartners binnen het project (uit binnen- en buitenland) zullen dan onder andere lokale politici, ambtenaren, vertegenwoordigers van bibliotheken, ROC’s, andere taalaanbieders en het ministerie van OCW aanwezig zijn.

 

Leuke reisjes

Een goede voorbereiding is het halve werk, is de voornaamste tip die Knobel en Schuijffel meegeven aan anderen die een vergelijkbaar project willen opzetten. Knobel: “Het gaat niet om het maken van leuke reisjes naar het buitenland. Je moet er op voorhand goed over nadenken wat je met de studiereizen wilt bereiken en hoe je dit gaat inbedden in je dagelijks werk. Anders is zo’n reis zonde van de tijd en het geld.” “Wanneer je subsidie aanvraagt bij Erasmus+, moet je een formulier van 30 pagina’s invullen”, vult Schuijffel aan. “Dat klinkt als een hoop gedoe, maar is eigenlijk juist positief. Want dit formulier dwingt je om echt goed te bedenken wat je met de buitenlandse activiteiten wilt bereiken. Zonder een goede motivatie word je aanvraag sowieso niet goedgekeurd.”

Meer lezen over de taalhuizen en andere initiatieven om laaggeletterdheid tegen te gaan kan op http://www.taalvoorhetleven.nl/.

Binnen Taal voor het Leven West-Brabant hebben bibliotheken, scholenorganisaties, woningbouwverenigingen, vrijwilligersorganisaties, taalaanbieders, GGD’en en vele andere organisaties de handen ineengeslagen om laaggeletterdheid aan te pakken. De partners maken daarbij gebruik van Taalhuizen en Taalpunten. Die zijn te vinden in bibliotheken, buurthuizen en op andere locaties. Een Taalhuis is dé plek waar iedereen terecht kan die aan de slag wil met zijn of haar basisvaardigheden. Je kunt er informatie krijgen over een passende cursus in de buurt en er zijn vaak computers om op te oefenen. Het Taalhuis is er ook voor (taal)vrijwilligers. Zij kunnen er bijvoorbeeld terecht voor onderwijskundig advies of voor geschikt lesmateriaal voor hun cursisten. Die cursisten zijn een gemêleerd gezelschap: er vallen vluchtelingen en andere migranten onder, maar ook veel autochtone Nederlanders. Ze hebben gemeen dat ze door hun taalachterstand moeilijk kunnen functioneren in een steeds ingewikkelder wordende samenleving.

 

Robuust

Taal voor het Leven West-Brabant loopt in Nederland voorop wat de Taalhuizen en Taalpunten betreft. “Vandaar dat we graag in het buitenland wilden kijken hoe zij omgaan met laaggeletterdheid”, vertelt beleidsmedewerker Lianne Knobel van de Bredase Stichting Nieuwe Veste. “We wilden leren van hun best practices én van de moeilijkheden waar zij tegenaan lopen.” “We wilden vooral ook leren hoe we onze aanpak structureel kunnen maken, hoe we deze kunnen borgen in de samenleving”, geeft adviseur Sheila Schuijffel van Cubiss aan. “Het moet iets blijvends en robuust worden en niet afhankelijk zijn van tijdelijke programma’s en financiering.”

Vertegenwoordigers van Taal voor het Leven West-Brabant maakten met ondersteuning van Erasmus+ drie studiereizen in 2017. Dit gebeurde onder de noemer Extending the Literacy Houses approach. Ze bezochten Ierland, Spanje en Noorwegen. In Ierland wilden de deelnemers leren hoe ze de beleidsontwikkeling op het gebied van taalonderwijs kunnen beïnvloeden en hoe ze meer structureel financiële middelen kunnen verwerven. In Ierland is het volwassenenonderwijs centraal georganiseerd en wordt het voor een groot deel gefinancierd uit publieke middelen. In Spanje was de bijzondere wisselwerking tussen formeel (door scholen en taalaanbieders) en informeel onderwijs (door activiteiten van vrijwilligers) het voornaamste onderwerp. Bij de reis naar Noorwegen stond de aanpak rondom vluchtelingen, taal en deelname aan de maatschappij centraal.

 

Sociale inclusie

Knobel en Schuijffel kijken tevreden terug op de buitenlandse bezoeken. “In Ierland viel op dat de lijnen erg kort waren”, observeert Knobel. “We nemen hieruit mee dat ook wij de lokale politiek en ambtenaren meer moeten betrekken bij onze activiteiten. Als zij het belang en effect van onze activiteiten zien, zullen zij hier ook eerder een financiële bijdrage aan willen leveren. Met dit betrekken hebben we bij de studiereis al een begin mee gemaakt. Er is toen ook een gemeentemedewerker mee geweest. In Noorwegen zijn de middelen gering en werkt men veel met vrijwilligers. Toch bereiken ze goede resultaten bij vluchtelingen. Het werken met kleine groepjes en een inventieve methode om het taalniveau van deelnemers in te schatten, zijn hierbij belangrijk. Daar willen wij zeker dingen van overnemen.” “In Noorwegen praten ze niet over integratie, maar over sociale inclusie. Zij willen mensen niet veranderen, maar vooral laten meedoen aan de maatschappij. Er is naast taalonderwijs dan ook veel aandacht voor hoe de Noorse maatschappij werkt. De Noren doen dat trouwens niet uit filantropische overwegingen. Als mensen meer deelnemen aan de maatschappij en werk krijgen, kunnen ze ook belasting betalen. Het is een inspirerende benadering”, aldus Schuijffel.

Een andere les die Knobel heeft geleerd is dat in Nederland vaak erg breed wordt gekeken naar het onderwerp laaggeletterdheid. “Er zijn veel verschillende doelgroepen, die we allemaal met één aanpak proberen te helpen. Door meer aanbod te ontwikkelen voor specifieke doelgroepen en naar Noors voorbeeld met een kleinere groep van partners te werken met kleinere groepen, kunnen we eerder resultaat boeken.” “Maar zeker zo belangrijk is dat de deelnemers aan de reizen elkaar beter hebben leren kennen”, meent Schuijffel. “Ook dit draagt zeker bij aan het structureler maken van onze aanpak.”

Congres

De buitenlandse partners leerden op hun beurt ook van de aanpak in West-Brabant. “In Noorwegen ligt de focus sterk op migranten”, schetst Schuijffel. “Taalproblemen bij de autochtone bevolking krijgen minder aandacht. Daar willen ze in Bergen, waar we op bezoek waren, nu ook meer naar gaan kijken.” “Bij ons spelen de bibliotheken een grote rol”, weet Knobel. “Ze bieden een laagdrempelige plek om de doelgroep te bereiken. Dat had men in Ierland niet zo in beeld. In de toekomst willen zij de bibliotheken meer gaan inzetten.”

Het project wordt afgesloten met een congres op woensdag 6 september. Daar zullen de partners binnen het project uit de doeken doen wat ze hebben geleerd en wat de vervolgstappen in de toekomst zullen zijn. Naast de samenwerkingspartners binnen het project (uit binnen- en buitenland) zullen dan onder andere lokale politici, ambtenaren, vertegenwoordigers van bibliotheken, ROC’s, andere taalaanbieders en het ministerie van OCW aanwezig zijn.

 

Leuke reisjes

Een goede voorbereiding is het halve werk, is de voornaamste tip die Knobel en Schuijffel meegeven aan anderen die een vergelijkbaar project willen opzetten. Knobel: “Het gaat niet om het maken van leuke reisjes naar het buitenland. Je moet er op voorhand goed over nadenken wat je met de studiereizen wilt bereiken en hoe je dit gaat inbedden in je dagelijks werk. Anders is zo’n reis zonde van de tijd en het geld.” “Wanneer je subsidie aanvraagt bij Erasmus+, moet je een formulier van 30 pagina’s invullen”, vult Schuijffel aan. “Dat klinkt als een hoop gedoe, maar is eigenlijk juist positief. Want dit formulier dwingt je om echt goed te bedenken wat je met de buitenlandse activiteiten wilt bereiken. Zonder een goede motivatie word je aanvraag sowieso niet goedgekeurd.”

Meer lezen over de taalhuizen en andere initiatieven om laaggeletterdheid tegen te gaan kan op http://www.taalvoorhetleven.nl/.

Binnen Taal voor het Leven West-Brabant hebben bibliotheken, scholenorganisaties, woningbouwverenigingen, vrijwilligersorganisaties, taalaanbieders, GGD’en en vele andere organisaties de handen ineengeslagen om laaggeletterdheid aan te pakken. De partners maken daarbij gebruik van Taalhuizen en Taalpunten. Die zijn te vinden in bibliotheken, buurthuizen en op andere locaties. Een Taalhuis is dé plek waar iedereen terecht kan die aan de slag wil met zijn of haar basisvaardigheden. Je kunt er informatie krijgen over een passende cursus in de buurt en er zijn vaak computers om op te oefenen. Het Taalhuis is er ook voor (taal)vrijwilligers. Zij kunnen er bijvoorbeeld terecht voor onderwijskundig advies of voor geschikt lesmateriaal voor hun cursisten. Die cursisten zijn een gemêleerd gezelschap: er vallen vluchtelingen en andere migranten onder, maar ook veel autochtone Nederlanders. Ze hebben gemeen dat ze door hun taalachterstand moeilijk kunnen functioneren in een steeds ingewikkelder wordende samenleving.

 

Robuust

Taal voor het Leven West-Brabant loopt in Nederland voorop wat de Taalhuizen en Taalpunten betreft. “Vandaar dat we graag in het buitenland wilden kijken hoe zij omgaan met laaggeletterdheid”, vertelt beleidsmedewerker Lianne Knobel van de Bredase Stichting Nieuwe Veste. “We wilden leren van hun best practices én van de moeilijkheden waar zij tegenaan lopen.” “We wilden vooral ook leren hoe we onze aanpak structureel kunnen maken, hoe we deze kunnen borgen in de samenleving”, geeft adviseur Sheila Schuijffel van Cubiss aan. “Het moet iets blijvends en robuust worden en niet afhankelijk zijn van tijdelijke programma’s en financiering.”

Vertegenwoordigers van Taal voor het Leven West-Brabant maakten met ondersteuning van Erasmus+ drie studiereizen in 2017. Dit gebeurde onder de noemer Extending the Literacy Houses approach. Ze bezochten Ierland, Spanje en Noorwegen. In Ierland wilden de deelnemers leren hoe ze de beleidsontwikkeling op het gebied van taalonderwijs kunnen beïnvloeden en hoe ze meer structureel financiële middelen kunnen verwerven. In Ierland is het volwassenenonderwijs centraal georganiseerd en wordt het voor een groot deel gefinancierd uit publieke middelen. In Spanje was de bijzondere wisselwerking tussen formeel (door scholen en taalaanbieders) en informeel onderwijs (door activiteiten van vrijwilligers) het voornaamste onderwerp. Bij de reis naar Noorwegen stond de aanpak rondom vluchtelingen, taal en deelname aan de maatschappij centraal.

 

Sociale inclusie

Knobel en Schuijffel kijken tevreden terug op de buitenlandse bezoeken. “In Ierland viel op dat de lijnen erg kort waren”, observeert Knobel. “We nemen hieruit mee dat ook wij de lokale politiek en ambtenaren meer moeten betrekken bij onze activiteiten. Als zij het belang en effect van onze activiteiten zien, zullen zij hier ook eerder een financiële bijdrage aan willen leveren. Met dit betrekken hebben we bij de studiereis al een begin mee gemaakt. Er is toen ook een gemeentemedewerker mee geweest. In Noorwegen zijn de middelen gering en werkt men veel met vrijwilligers. Toch bereiken ze goede resultaten bij vluchtelingen. Het werken met kleine groepjes en een inventieve methode om het taalniveau van deelnemers in te schatten, zijn hierbij belangrijk. Daar willen wij zeker dingen van overnemen.” “In Noorwegen praten ze niet over integratie, maar over sociale inclusie. Zij willen mensen niet veranderen, maar vooral laten meedoen aan de maatschappij. Er is naast taalonderwijs dan ook veel aandacht voor hoe de Noorse maatschappij werkt. De Noren doen dat trouwens niet uit filantropische overwegingen. Als mensen meer deelnemen aan de maatschappij en werk krijgen, kunnen ze ook belasting betalen. Het is een inspirerende benadering”, aldus Schuijffel.

Een andere les die Knobel heeft geleerd is dat in Nederland vaak erg breed wordt gekeken naar het onderwerp laaggeletterdheid. “Er zijn veel verschillende doelgroepen, die we allemaal met één aanpak proberen te helpen. Door meer aanbod te ontwikkelen voor specifieke doelgroepen en naar Noors voorbeeld met een kleinere groep van partners te werken met kleinere groepen, kunnen we eerder resultaat boeken.” “Maar zeker zo belangrijk is dat de deelnemers aan de reizen elkaar beter hebben leren kennen”, meent Schuijffel. “Ook dit draagt zeker bij aan het structureler maken van onze aanpak.”

Congres

De buitenlandse partners leerden op hun beurt ook van de aanpak in West-Brabant. “In Noorwegen ligt de focus sterk op migranten”, schetst Schuijffel. “Taalproblemen bij de autochtone bevolking krijgen minder aandacht. Daar willen ze in Bergen, waar we op bezoek waren, nu ook meer naar gaan kijken.” “Bij ons spelen de bibliotheken een grote rol”, weet Knobel. “Ze bieden een laagdrempelige plek om de doelgroep te bereiken. Dat had men in Ierland niet zo in beeld. In de toekomst willen zij de bibliotheken meer gaan inzetten.”

Het project wordt afgesloten met een congres op woensdag 6 september. Daar zullen de partners binnen het project uit de doeken doen wat ze hebben geleerd en wat de vervolgstappen in de toekomst zullen zijn. Naast de samenwerkingspartners binnen het project (uit binnen- en buitenland) zullen dan onder andere lokale politici, ambtenaren, vertegenwoordigers van bibliotheken, ROC’s, andere taalaanbieders en het ministerie van OCW aanwezig zijn.

 

Leuke reisjes

Een goede voorbereiding is het halve werk, is de voornaamste tip die Knobel en Schuijffel meegeven aan anderen die een vergelijkbaar project willen opzetten. Knobel: “Het gaat niet om het maken van leuke reisjes naar het buitenland. Je moet er op voorhand goed over nadenken wat je met de studiereizen wilt bereiken en hoe je dit gaat inbedden in je dagelijks werk. Anders is zo’n reis zonde van de tijd en het geld.” “Wanneer je subsidie aanvraagt bij Erasmus+, moet je een formulier van 30 pagina’s invullen”, vult Schuijffel aan. “Dat klinkt als een hoop gedoe, maar is eigenlijk juist positief. Want dit formulier dwingt je om echt goed te bedenken wat je met de buitenlandse activiteiten wilt bereiken. Zonder een goede motivatie word je aanvraag sowieso niet goedgekeurd.”

Meer lezen over de taalhuizen en andere initiatieven om laaggeletterdheid tegen te gaan kan op http://www.taalvoorhetleven.nl/.

Top